1. Gij hebt lang reeds gezocht, naar meer liefde en geloof,
En gebeden met aandrang en smart.
Geef uw leven aan God, leg op 't altaar uw "al",
Hemelvrede doorstroomt dan uw hart.
2. Wilt ge wand'len met God, in het licht van zijn Woord,
Wenst gij heilig en smett'loos te zjjn?
O, gehoorzaam zijn wil leg uw ,,al" aan zijn voet,
En zijn bloed wast van zonden u rein.
3. Welk een rijkdom van kracht, is de ziele beloofd,
Die zich stelt onder godd'ljjke tucht.
Hij, die lichaam en geest, in de hand legt van God,
Zal een boom zijn, steeds dragende vrucht.
4. O, welk zalig genot steeds te leven met God,
En een rank van de wijnstok te zijn.
Gans ontledigd van zelfzucht, doorstroomd van gena,
Kunt gij leven als d'eng'len zo rein.
Koor. Is uw "al" op het altaar ten offer gebracht,
Uw ziel reeds vervuld met des Geestes kracht?
O, gij vindt nimmer rust, voor uw zoekende ziel,
Tenzij alles bij God is gebracht.