1. Daar 's een stad, ver omhoog, niet met handen gebouwd,
Door God Zelf voor zijn kind'-ren bereid,
Vol van glorie en pracht, nooit op aarde aanschouwd,
Waar de lofzang weerklinkt wijd en zijd.

2. 't Oog vol tranen en zorg heft zich op naar het licht,
Van die stad waar geen schaduwen zijn.
Op dat zalig tehuis is mijn blik steeds gericht,
Waar 'k zal rusten aan 's hemels fontein.

3. In Gods bloemhof zo schoon staat mijn woning gereed,
Waar de eeuwige vrede mij wacht,
O, gij lichtstad op groenende heuv'len gebouwd,
Hoe mijn ziel naar uw heerlijkheid smacht!

4. Wat een vreugd' zal het zijn als ik Jezus zal zien,
In dat land waar de zon nimmer daalt.
Als 'k aanbiddend mag knielen voor Hem, Die mij mint,
Die de losprijs voor mij heeft betaald.

Koor. O, lieflijk Jeruz'lem, heerlijke woonplaats van God,
Rustoord voor mijn ziele, zalig genot,
O, bloemhof van Eden, vredig en lieflijk tehuis
't Pad dat daar henen leidt, gaat over Calvaries kruis.
~ Glorieklokken nr.176 ~
De gouden stad.