1. O, met mijn Heer gekruist te zijn, zalig geheim, zo diep en rein.
Dood aan de zonde en 't eigen ik, rust ik in Hem elk ogenblik.
Dood aan de krank-heên van weleer, waarlijk gestorven met mijn Heer.
Wonder geluk, zo diep en rein, met mijne Heer gekruist te zijn.
2. Zaal'ge verrijz'nis uit het graf, 't doodskleed der zonde viel gans af.
Tot een nieuw leven opgestaan, vang ik de tocht naar Sion aan.
Nauw is de poort en smal het pad, doch 'k zie van ver de gouden stad.
Waar mij de palmtak wacht en kroon, daar schenkt God mij 't genadeloon.
3. Vrij door het dierbaar bloed van 't Lam, dat onze zonde op zich nam
Vrij van de ziekte, zorg en nood, volg 'k Hem getrouw tot in de dood.
Geest, ziel en lichaam gans bevrijd, o, welk een vreugd en zaligheid,
Ere zij 't Lam, dat voor mij stierf, eeuw'ge verlossing mij verwierf.
Koor. O, met mijn Heer gekruist te zijn, welk een gena, zo diep en rein,
Met Hem verrezen uit de dood, prijs ik zijn liefde eind'loos groot.