1. Wij zien de ure naderen, met droefheid lang verbeid.
Die ons van U zal scheiden. Zal 't zijn voor korte tijd.
Wij biên U onze wensen, met dankbaar, vochtig oog,
God schenke U zijn zegen, dat Hij u leiden moog'.
2. Al zullen weldra zeeën u scheiden van ons oog,
Wij blijven steeds gedenken, aan hem (haar) die henentoog.
Die met geduld en liefde, zich ons heeft toegewijd,
En met een troostvol woordje, zo menig hart verblijd.
3. Dat vreugde u vergezelle, en voorspoed U omring',
Totdat gij weer moogt keren, in onze kleine kring.
Wij reizen met u mede, en roepen blij te moe,
U met een dankbaar harte, een warm: "Tot weerziens" toe.