1. Eens toen ik leef d' in zondemacht,
Kwam Jezus tot mij, vriend'lijk zacht,
Hij sprak: Mijn kind, Ik kocht u vrij,"
Prijst Hem, Hij redde mij.
2. Hij klopte lang reeds aan mijn hart,
Toen 'k nog in zonden was verward,
Ik zocht Hem niet, maar Hij zocht mij,
Prijst God, Hij redde mij.
3. De mens schonk Hem als enig loon,
Een smaad'lijk kruis en doornenkroon,
Toch bleef zijn liefd' ons steeds nabij
Prijst God, Hij redde mij.
4. Hij gaf zijn al, geloofd zij God;
Geduldig droeg Hij leed en spot,
Door Hem werd 't pad ten hemel vrij,
Prijst God, Hij redde mij.
Koor. Uit drijvend zand trok Hij mijn voet,
En wies mij, arme, in zijn bloed,
Hij maakte mij van banden vrij,
O prijst zijn naam, Hij redde mij!