1. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord,
't Geen God bereid heeft, die leeft naar zijn woord.
Aardse schatten verliezen hun waarde in mijn oog,
Als 'k denk aan de glorie die wacht mij omhoog.
2. Aardse schatten vergaan door de roest en de mot,
Kom, en vergader u schatten in God.
Wat bewaard is hier boven in godd'lijke hand,
Dat vindt ge straks t'rug in het hemelse land.
3. Wees een zegen voor elk die ge ontmoet op uw pad,
'n Werk voor de Heer, wordt een hemelse schat,
Spreid slechts bloemen van liefde, zo teder en schoon.
En straks zult ge ontvangen een palm en een kroon.
Koor. 'k Zie reeds van verre een stad, nooit aanschouwd.
Blinkende poorten uit paarlen gebouwd.
O, wat geen mens heeft gezien of gehoord,
Wacht mij daar ginds in dat zalige oord.