1. Het eenzame pad is voor 't godskind alleen,
Dat stil achter Jezus wil gaan,
Dat strijd heeft gekend en verzoeking en leed,
En 't kruis van zijn Heer heeft verstaan.
2. Dat eenzame pad kronkelt steil naar omhoog,
De tocht is vermoeiend en lang,
De doornen zijn scherp en verwonden de voet,
Maar 't hart van Gods kind is niet bang.
3. Hij weet, daar is Een, met een lichtend gelaat.
Met ogen zo teder en zacht.
Die stillekens legt Zijn doorboorde hand,
Op 't hoofd van de wand'laar bij nacht.
4. Mijn leven is Christus en Christus alleen
Blijmoedig verdraag ik mijn lot.
Ja, 't eenzame pad wordt gekend slechts door hem,
Die wandelt als Henoch met God.
Koor: Vree, vree, wondere vree,
Geeft de Heiland aan 't hart dat Hem mint.
Een licht en een kracht in de eenzame nacht.
Is de Meester voor 't biddende kind.