1. 't Ontbreekt u nog aan vrede, uw hart is vreugdeloos;
Uw oog ziet mat en droevig, uw gang is lusteloos.
2. Bij Hem alleen is vrede en troost voor 't rust'loos hart,
Van armen, kranken, moeden, gekweld door zondesmart.
3. Slechts uit des Heilands wonden welt heling voor 't gemoed,
Wie Hem nog niet mocht vinden, mist nog het hoogste goed.
4. Gij vecht met vrees en zonden, gij hieldt zo gaarne stand,
Maar telkens valt het wapen, u macht'loos uit de hand.
5. En vraagt gij: "Wat is waarheid?" in uwe duisternis,
Ga dan tot Hem om klaarheid, die zelf de waarheid is.
Koor. O, mocht gij toch geloven! Gij hadt reeds lang ontdekt,
Hoe Jezus' liefdearmen naar u zijn uitgestrekt.