1. Niets kan mij scheiden, leven noch sterven,
Heden noch toekomst, klove noch rots.
Niets mij vervreemden, niets mij beroven
Van 't heilig erfdeel: de liefde Gods.
2. Niets doet mij weif'len, niets mij vertwijf'len,
Niets mij verdenken, de liefde Gods.
Van voor al' eeuwen, is zij gegrondvest
In Christus Jezus, de macht'ge Rots.
3. Niets kan verflauwen, niets kan doen tanen,
Niets kan ooit blussen, de liefde Gods.
God is mijn burcht, en mijn zeer sterke veste
In Christus Jezus, de eeuwige Rots.
4. Niets kan doen wank'len 't huis, dat ik bouwde
't Huis mijns geloofs, op de eeuwige Rots.
't Huis is onwrikbaar gelijk zijn fundering:
In Christus Jezus, de liefde Gods.