1. Ben ik het Heer, die U aan 't kruishout bracht,
Die eens Uw trouwe liefde heb veracht?
Draag ik de schuld van 't geen Gij leed die nacht?
Ben ik het, Heer?
2. Ben ik het Heer, o, heil'-ge Koningszoon,
Die vlocht te-zaam de doornen van Uw kroon?
Die U vervolgde met mijn smaad en hoon?
Ben ik het, Heer?
3. Ben ik het Heer, onwaardig en onrein,
Die uit gena Uw eigendom mag zijn?
Door 't heilig bloed verlost van zondepijn?
Ben ik het Heer?
4. Ook voor mijn schuld stierft Gij op Golgotha,
Wie kan verstaan, die volheid van gena?
'k Leg vol van dank, mijn leven voor U neer,
'k Ben d' Uwe Heer!