1. Zij bloeien alleen in de schaduw,
En geuren het liefst in de nacht;
Zij hebben aan menige pelgrim
Een stille verkwikking gebracht.
2. 't Zijn bloemen van wondere luister,
't Zijn boden uit Eden, zo rein!
O, mochten wij, kind'ren van Jezus,
Zo'n nederig bloemeke zijn.
3. Verdragend en helpend elkander,
Op 't kronkelend pad, vol gevaar,
Steeds prijzend en dankend de Meester,
Stil drogend een traan, hier en daar!
4. O, lieflijke bloemen uit Eden,
Geplant door Gods zorgende hand,
Blijft liefde en zegen verspreiden,
Op reis naar het hemelse land.
Koor. Al doet gij geen schitt'rende daden,
Al zijt ge eenvoudig en klein,
Gij kunt toch een geurende bloeme,
Een bloeme uit glorieland zijn.