1. Hoor, ik ken een schaapje klein,
Dat wou niet gehoorzaam zijn.
Uit de kudde liep 't vandaan,
't Kwam terecht op boze paan.
2. Hoor, ik ken een schaapje klein,
't Deed aan doorn en rots zich pijn,
't Struikeld' op oneffen grond,
En werd overal gewond.
3. Hoor, ik ken een schaapje klein,
Dat zo dankbaar nu wil zijn;
Want de Herder zocht in 't dal,
Droeg het schaapje naar de stal.
4. Ja, ik ben dat schaapje klein.
En wil graag gehoorzaam zijn
'k Wil niet van de Herder weg,
'k Volg Hem op de goede weg.
Koor (1,2,3). Hoor, hoor, hoor, ik was dat schaapje klein,
Hoor, hoor, hoor, ik was dat schaapje klein,
Maar mijn Heiland, maar mijn Heiland zocht ook mij.
Koor (4). Ja, ja, ja, dat schaapje wïl ik zijn.
Ja, ja, ja, dat schaapje wil ik zijn.
Ja, mijn Heiland, ja, mijn Heiland, ik ben zijn'.