1. 'k Leefde eens in nacht van zonden neergedrukt door zorgen,
Ver van God in duisternis aan steile afgrondsrand.
Toen kwam Jezus, hief mijn ziele op uit 't dal van smarte,
'k Woon nu op de bergtop in glorieland.

2. Van Gods bergtop, hoog verheven, zie 'k, in 't licht des Heren,
d'Aardse schatten waardeloos, gekneld in zondeband.
'k Prijs mijn Heer, die mij verloste, groot is zijn genade;
'k Woon nu op de bergtop in glorieland.

3. Is de bergtop soms omneveld door de mist van zorgen,
'k weet, mij steunt in moeit' en nood Gods trouwe Vaderhand.
'k Vrees niet, want de zon breekt dra weer door de donk're wolken;
'k Woon nu op de bergtop in glorieland.

Koor. Ik woon nu op de bergtop, 'k word bestraald door gouden zon.
En 'k drink van 't levend water, dat vloeit uit Edens bron.
O, ja, ik woon nu, op de bergtop, dicht bij 's hemels gouden poort,
En 'k zing met d'eng'len een lofaccoord.
~ Glorieklokken nr.445 ~
Op de bergtop in glorieland.