1. Gaat uw ziel gebogen onder zorgen en verdriet,
Breekt geen lichtstraal door de (donk're) wolken.
Vlucht dan met uw leed tot Hem, die sterkt het zwakke riet,
Hij, uw God, verlaat u niet.
2. Neen, de zon der liefde Gods kan nimmer ondergaan,
Blijf op 's Heren woord steeds (voor eeuwig) bouwen.
In het uur van droefheid wil Hij drogen ied're traan
Troostend aan uw zijde staan.
3. Elke donk're wolk heeft altijd nog een gouden rand,
Straks zal 't hemels licht weer (vrolijk) stralen.
Vrees niet, o mijn ziele, 't woord van God houdt eeuwig stand
Steeds leidt u zijn trouwe hand.
Koor. Achter de wolken is Gods heil verborgen,
Achter de wolken schijnt de gouden zon.
Achter de wolken straalt (daar) de blijde morgen,
O, zie op Hem, die 't duister overwon.