1. Het woord van God gelijkt een licht,
Dat straalt van 's Vaders aangezicht,
Het werpt zijn schijnsel op het pad,
Dat heenleidt naar de gouden stad.
2. Het woord van God gelijkt een zwaard,
Dat 't zondaars-hart doorboort op aard';
't Gelijkt een hamer, die met kracht
De rotsen splijt van satans macht.
3. Het woord van God gelijkt een vuur,
Dat 't kaf verteert, van uur tot uur,
Opdat het koren, schoon en vrij,
Voor satans macht beveiligd zij.
Koor. Het woord van God is vol van kracht,
Het straalt als sterlicht in de nacht.
Schoon 't gans heelal eens zal vergaan,
Het woord van God blijft eeuwig staan.
Onwrikbaa staat die sterke rots,
Te midden van het golfgeklots,
Hoe hoog de zeeën mogen gaan,
Het woord van God blijft steeds bestaan.