1. Aan eenzame kust staat een toren,
Gebouwd op onwrikbare rots,
Zijn licht straalt zo zacht, in duistere nacht,
Hij is schoon als een kandelaar Gods.
2. Geen stormwind noch vloed kan hem deren,
Fier zendt hij zijn licht over zee.
De schepen in nood, redt hij van de dood,
En leidt ze naar veilige ree.
3. Zo menige ziel gaat verloren,
Lijdt schipbreuk op des levenszee,
Drijft heen als een wrak, omdat hem ontbrak
Het licht, dat hem schenken kon vree.
4. Laat helder uw lamplicht weer schijnen,
Red zondaars, in d'uiterste nood,
O, hoor naar Gods stem, win zielen voor Hem,
Straks wacht u een loon, wondergroot.
Koor. O ziel, wees een lamp, of kandelaar vol licht,
Die stralen werpt ver over zee.