1. Straks zal ik staan voor de troon van mijn God
Wiens hand beschikt gans het menselijk lot,
't Werk van mijn leven komt dan in 't gericht,
Helder bestraald door Gods licht.
2. Al mijne werken voor Jezus gedaan,
Zullen de vuurgloed der lout'ring doorstaan,
Hij die getrouw en volhardend gelooft,
Hem is de eerkroon beloofd.
3. d'Arbeid waarbij men zichzelf zoekt en eert,
Wordt straks door 't vuur van Gods oordeel verteerd,
Schoon ook uw ziel niet verloren zal gaan,
Niets van uw werk blijft bestaan.
4. Hout, hooi of stopp'len, juwelen of goud,
Wat heb ik ooit in mijn leven gebouwd?
O mocht ik werken voor Jezus voortaan,
Dan blijft mijn arbeid bestaan.
Koor. Straks zal ik staan voor de troon!
Wacht mij bestraffing of loon?
Smart en berouw, of palmtak en kroon?
Straks zal ik staan voor de troon.