1. In de opperzaal bij het avondmaal,
Nam Jezus de wijn en het brood,
En Hij bood 't vol liefde zijn jong'ren aan,
't Symbool van zijn heilige dood.
2. Dat gebroken brood is Uw lichaam, Heer,
Gebroken voor mij op het kruis,
En Uw dierbaar bloed eens gestort voor mij,
Ontsloot mij het hemels tehuis.
3. In dat zinnebeeld van de wijn en 't brood,
Ligt wondere zegen en kracht,
Ja Uw offerand op het heilig kruis,
Heeft vrede en rust mij gebracht.
Koor. 'k Leg op 't altaar nu eigen wil en lust,
Ik volg U in vreugde en smart,
Uw gemeenschap Heer, is slechts wat 'k begeer,
O, vul met liefde mijn hart.