1. 'k Was een zondaar, toen mijn Jezus mij vond,
En Hij redde mij, o glorie voor zijn naam,
'k Lag gebonden aan der wereld koorden,
Maar 't was Jezus, die mij ontbond.

2. 'k Hoor de klokken in de hemel luiden
En de weerklank ruist in mijn bevrijde ziel;
En mijn hart is vol van dankb're vreugde
Wijl zijn hand mij greep, toen ik viel.

3. O, de blijdschap Hem te zien in glorie,
In de woning van mijn Vader ginds omhoog,
Waar 'k Hem eeuwig loven zal met vreugde.
En Hem dienen met stralend oog.

Koor. Wat een glorie, toen Jezus mij vond,
En mij ophief uit duist're afgrond,
Toen Hij wierp mijn zonden in het diepst der zee
En mijn ziel vervulde met zijn liefd' en vree
Wat een glorie, o Halleluja!
Toen Hij maakte mij tot zijn kind
'k Zal Hem prijzen met hosanna, en glorie,
Als 'k Hem zien zal die 'k heb bemind.
~ Glorieklokken nr.88 ~
't Was een blijde dag, toen Jezus mij vond.
Uit: Greatest Hymns 274