1. O, de wondervolle blijdschap en de glorie,
Die mijn hart doorstroomden in dat blijde uur,
Toen Gods liefde mij vervulde met victorie,
En 'k gedoopt werd met de Heil'ge Geest en vuur.
2. In het licht van Gods genade zag 'k mijn leven,
Vol van zelfzucht, ijdelheid en dwaze trots,
Toen besloot ik, gans mijn al aan God te geven,
En op Hem te bouwen als mijn eeuw'ge rots.
3. Nu is in mijn donker hart het licht ontstoken,
Van de liefde Gods, zo teer en wonderschoon,
En mijn ziel is als een rozeknop ontloken,
Voor de zonneglans die afstraalt van Gods troon.
4.'t Zware oordeel is nu van mijn ziel geweken,
Gods gena verdreef de neev'len, koud en kil,
En zijn Geest doorstroomt mijn hart als waterbeken,
Sinds ik mij ootmoedig boog voor 's Vaders wil.
Koor. O, wat vreugde, dat Jezus kwam tot mij,
Dat zijn kruisdood mij van zonde maakte vrij,
Wat een zalig Pinkster-feest,
Is dat voor mijn ziel geweest
Toen 'k gedoopt werd met Gods Geest en vuur